N.a.v.: Genesis 12:1
Afbeelding: oorsprong onbekend
Tel de sterren aan de hemel
en de korrels langs het strand.
Met het stromen komt de Zegen
brengt je naar het nieuwe land.
Aan het eind van de zomer pasten we een paar dagen op mijn schoonvader, hij heeft Alzheimer. Mijn schoonmoeder moest in een zorghotel herstellen van een operatie. Het waren gemoedelijke dagen, met samen zingen, langzaam wandelen, lezen, een middagdutje doen, samen koken, eten. Het deed ons een beetje denken aan toen onze kinderen klein waren. We gaven ons over aan een trager tempo en een zorgzame ‘antenne’. Ik ervoer die dagen lol en ontroering en soms ook verdriet om wat voorbijgaat. En er was nog iets anders. Er was een soort stilte of rust tussen ons drieën, ruimte. In het begin even onwennig, maar daarna kostbaar of zelfs heilig.
Terwijl de zorg voor onze ouder-wordende ouders toeneemt, vliegen onze volwassen kinderen ondertussen uit. Dat proces van uitvliegen en loslaten is een natuurlijk en soms ook een intens proces. Ik hoor het ook terug van leeftijdgenoten. Opeens gaat je kind op kamers wonen of je zoon of dochter vertrekt naar het buitenland. Je nest is leeg.
Ik pak het boek van Jonathan Sacks erbij: De kracht van de tora – ideeën die je leven veranderen. Jonathan Sacks (1948-2020) was een Britse opperrabbijn, filosoof en bijbeluitlegger. Ik vind zijn uitleg van de Bijbelverhalen vaak inspirerend.
Genesis is een geschiedenis van families. Het gaat over relaties tussen vaders en zonen, moeders en kinderen, broers en zussen. En over hoe God met die families meegaat.
Ik lees het hoofdstuk over Abraham. Abraham was uitverkoren om vader te zijn, zijn naam betekent ‘vader van vele volken’, een rolmodel. Maar hoe kan een man die zijn zoon Ismaël weg stuurde en die bereid was om zijn zoon Izaäk te offeren in vredesnaam een rolmodel zijn voor ouders, vraagt Sacks zich af.
Sacks geeft een uitleg die voor mij een verrassende invalshoek geeft op de verhalen van Abraham. Een uitleg die resoneert in deze fase van mijn eigen leven.
Sacks wijst op de parallel tussen het begin van het verhaal van Abraham, waarbij God hem opdraagt om zijn land, geboorteplaats en het huis van zijn vader te verlaten (Genesis 12:1) en het tweede verhaal waarbij God aan Abraham vraagt om op weg te gaan naar de berg Moria om zijn zoon te offeren (genesis 22). Beide verhalen beginnen met de Hebreeuwse woorden ‘lech lecha’, dat zoiets betekent als “Ga weg, voor jezelf’ of anders geformuleerd: “Trek weg ten behoeve van jezelf’.
Sommige rabbijnen zien daarom in beide gevallen dezelfde diepere betekenis: "ga naar jezelf" of "word wie je bedoeld bent te zijn". De woorden “lech lecha” markeren twee beslissende momenten in Abrahams geestelijke ontwikkeling.
In het eerste verhaal als Abraham op reis gaat, moet hij zijn afkomst en verleden loslaten om zijn eigen roeping en bestemming te vinden. In het tweede verhaal, als God aan Abraham vraagt om zijn zoon te offeren, moet Abraham ook zijn toekomst (vertegenwoordigd door Izaäk) loslaten. In het loslaten van zijn verleden én zijn toekomst leert Abraham volledig op God te vertrouwen. Zo kan hij ontdekken hoe diep zijn roeping is geworteld.
In zijn hoofdstuk over Abraham voert Sacks een citaat op van Matthew Syed, dat verwoordt wat een moeilijke levenskunst het kan zijn om je kinderen los te laten:
“Loslaten – dat is de essentiële paradox van het ouderschap. Je verzorgt je kinderen, je voedt ze op, je offert je op, en vervolgens zie je hoe ze hun vleugels uitslaan en het grote onbekende tegemoet vliegen (…) omdat je weet dat het verlangen om ze te beschermen en lief te hebben nooit mag omslaan in de tirannie van kinderen in de watten leggen.”
In de twee verhalen over Abraham leert God hem dat hij door loslaten ruimte maakt. Ruimte voor zijn ouders en ruimte voor zijn kinderen. Zodat de ander zijn/haar eigen individuele weg kan gaan. En daarmee creëert hij ook ruimte voor zichzelf.
De Ierse dichter John O’Donohue spreekt over het zegenen van de ruimte tussen jou en mij. Wat een prachtige uitnodiging: om de ruimte te zegenen tussen ouders en kinderen en tussen kinderen en ouders. Misschien was dat wat ik ervoer in die dagen bij mijn schoonvader; gezegende ruimte tussen ons.
En dat kan ook breder: de ruimte zegenen tussen broers en zussen, tussen vrienden, gemeenteleden, buren, stadgenoten. Het geeft ruimte om de ander zichzelf te laten zijn, om zijn/haar eigen weg te gaan, zonder dat ik het gevoel heb dat ik die ander of mezelf moet beschermen of veranderen.
Als we Gods Zegen vragen over die ruimte tussen jou en mij, dan ontstaat er iets nieuws. Het schept een nieuwe mogelijkheid in relaties. Er groeit ruimte voor verwondering, dankbaarheid, vertrouwen, verzoening en een nieuwe verbondenheid.
En in die ruimte kunnen we ook een nieuwe vrijheid vinden: het is een kans om opnieuw jezelf te vinden en om verder te groeien in wie je bedoeld bent te zijn in Gods ogen.
Mw.Joyce Schoon