N.a.v.: Jesaja 45: 15
Afbeelding: DN
‘Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt,
de God van Israël, die redding brengt.’ – Jesaja 45: 15
Een bekend gezang zingt: ‘God gaat zijn ongekende gang vol donkere majesteit’ (Lied 943). We zingen het niet zo vaak, al is het Engelse origineel een regelmatig terugkerende classic in Songs of Praise. In het Engels klinkt het nog mooier, maar ook wat donkerder misschien: ‘God moves in a mysterious way.’
William Cowper (1731-1800), de dichter van dit lied, leed een leven lang aan zware depressies en wanen. Die psychische kwetsbaarheid werd nog versterkt door een geloofsbeleving waarin veel nadruk lag op de innerlijke geloofsweg en de bekering van de mens. Zijn worsteling met de vraag van de uitverkiezing bracht hem soms in een diepe geestelijke crisis, zozeer, dat hij dan zeker dacht te weten buiten Gods genade te vallen en verloren te zijn.
In 1763 moest hij lange tijd worden opgenomen in een tehuis, waar hij onder de zorgen van de arts daar langzaam herstelde. Bijzonder is hoe positief Cowper was over de goede zorgen van zijn dokter, hij vond in hem een goede gesprekspartner, ook als het over geloof ging. Cowpers broer en vrienden bezorgden hem later een huis en klein inkomen. Hun trouwe zorg en aandacht hielden Cowper overeind.
Daarbij was het schrijven voor Cowper een houvast. ‘God Moves in a Mysterious Way’ is één van de vele liederen die hij geschreven heeft. Het lied gaat over de duistere voorzienigheid van God. God lijkt soms diep verborgen in onze werkelijkheid. Of dat nu door psychische kwetsbaarheid komt, door een onbarmhartige geloofsbeleving waarin vooral Gods rechtvaardigheid wordt benadrukt, of door een blik om je heen in deze wereld met alle vragen die dat oproept: het is soms moeilijk iets van God te zien. Hoe God met ons en met de wereld bezig is, blijft vaak voor ons verborgen.
Vaak beleven we die verborgenheid als iets dat vooral met onszelf te maken heeft, als menselijke beleving, een ervaring van mensen die God kwijt zijn. Maar Jesaja vertelt over verborgenheid als een eigenschap van God zelf. ‘Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt,’ horen we, ‘de God van Israël, die redding brengt.’ ‘Verborgen zijn’ en ‘redding’ in één adem – hoe kan dat?
Voor Jesaja is de verborgenheid van God wat Hem onderscheidt van andere goden en machten, van de dingen die wij de plek van god hebben gegeven, waar we ons leven door laten regeren en waar we soms zoveel aan opofferen. Deze God is niet zichtbaar, tastbaar, controleerbaar of manipuleerbaar. Hij is zichzelf, altijd, onafhankelijk van ons, Hij gaat zijn weg, door alles heen, houdt vast aan zijn bedoelingen en aan zijn plan.
De verborgenheid van God betekent dus niet dat Hij afwezig is, of onmachtig, of onverschillig. Gods verborgenheid betekent óók niet dat het kwade bij Hem hoort, dat Hij het kwade wil, dat wij Hem daarin moeten zoeken. En ook niet dat zijn bedoelingen onduidelijk zijn; daarover laat Hij geen misverstand bestaan.
Juist in dit gedeelte zegt God nadrukkelijk: ‘Ik heb niet in het verborgene gesproken, ergens is een duister oord.’ En ook: ‘Ik heb jullie niet gevraagd: zoek mij in de chaos’. Integendeel: God heeft de wereld gemaakt, Hij houdt de wereld vast – we zijn niet overgeleverd aan de chaosmachten, maar we zijn in de hand van de Schepper.
Gods scheppende werk is niet iets eenmaligs, van ooit lang geleden. God blijft als schepper aanwezig. Hij is bij ons in de chaos, niet passief, maar actief. Hij is altijd met ons bezig, als een kunstenaar met zijn werk, soms in een flow van creativiteit en inspiratie, soms zwoegend en zuchtend, maar altijd aan het werk, altijd betrokken, om het goede tevoorschijn te brengen dat Hij heeft bedacht en waarvoor het is bedoeld.
Die scheppende liefde zien we helemaal in Jezus, in de weg die Hij gaat door lijden en dood heen. Het kruis betekent niet dat wat kwaad is opeens goed is, maar dat God in het kwade aanwezig is om het goede voort te brengen, dat God in het verborgene, in het donker werkt en nieuw leven schept.
Ontroerend is het vertrouwen waarmee Cowpers lied eindigt. ‘Wat Hij bedoelt dat rijpt tot zin, wordt klaar van uur tot uur. De knop is bitter, is begin, de bloem wordt licht en puur.’ En misschien wel de mooiste zin van het lied: ‘... God zelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht.’
Mw. ds. Jacobine Scholte-de Jong