Meditatie

Uit Protestants Kerknieuws 22 februari 2019

'Schakelketting'

N.a.v. Numeri 27:12-23 

Nooit ben ik alleen.
Velen die voor mij leefden
en los van mij streefden,
weefden
weefden
aan mijn bestaan.

Aldus de dichter Rilke. Het is raak gedicht. Ik ben geen onbeschreven blad. Ik sta in een verband. Ik ben een schakeltje in een lange ketting. Om te ontvangen en weer door te geven.
Gelovig gezien moeten we zeggen dat God die ketting eens is begonnen te maken. In dat verband noemen we die ketting ‘Schepping.’ God zal die ketting ook eens voltooien, wanneer de nieuwe hemel en de nieuwe aarde werkelijkheid worden. En in díe lange ketting mogen wij een schakel zijn.
Ten diepste is dat vertroostend en ontspannend. Zeker in deze tijd waarin juist zoveel nadruk ligt op het individu. Met die nadruk wordt het juist veel zwaarder. Dan ligt er namelijk zoveel druk op jou als enkele mens: of je wel alle kansen gebruikt, of je wel succes hebt, of je wel gelukkig bent. Maar de Bijbel heeft dus een groter plaatje, waarin je als enkele mens een schakel bent van die lange ketting. Niet meer en niet minder. We hoeven niet alles te kunnen. We hoeven niet bovenmenselijk te presteren. We zijn een unieke, waardevolle schakel, verbonden met mensen voor ons en na ons, verbonden met God. Want het is zijn ketting.
Ook Mozes is zo’n schakel in Gods ketting. Een belangrijke schakel. Hij heeft het volk mogen leiden, uit Egypte, door de woestijn. Hij mocht Gods spreekbuis zijn naar het volk toe. Hij was voor het volk in de bres gesprongen na het debacle met het Gouden Kalf. Hij had het volk gebracht tot de grens van het beloofde land, maar nu is Mozes’ loopbaan ten einde. Hij zal het stokje door moeten geven aan een ander. Nee, hij mag niet mee het beloofde land in…
Het bijzondere is dat Mozes helemaal niet protesteert als God hem zegt dat hij het beloofde land niet binnen zal gaan. Zo van: ‘Heb ik daar mijn best zo voor gedaan!’ of: ‘Moet het zo ongenadig, God?!’ Niets van dat al. Mozes heeft het helemaal niet over zichzelf. Hij denkt aan zijn volk. Aan zijn opvolger. Mozes weet dat hij een schakel in de ketting is, maar dat het Góds ketting is, en dat Hij weer een andere schakel zal gebruiken om z’n volk verder te brengen. Daar wil Mozes zich naar voegen. Wat een zegen als mensen zo zichzelf kunnen wegcijferen voor het grotere plan, voor Gods plan. Daarom klaagt Mozes niet, maar bidt hij God om een goede leider.
Ik las ergens: ‘Jaloerse mensen houden niet van hun opvolgers. Als je jaloers bent, dan wil je geen goede opvolger. Eigenlijk wil je dan dat na jouw vertrek de zaak in elkaar stort. En dat iedereen dan roept: ‘O, was hij er nog maar! Was zij nou maar niet vetrokken!’ Maar dan gaat het je dus niet om de mensen, om het werk, maar om jezelf. Jaloerse mensen houden niet van hun opvolgers, maar dienstbare mensen bidden om opvolgers, om goede opvolgers. Net als Mozes hier. Dan vertrouw je erop dat God doorgaat, met zijn ketting, ook met een nieuwe generatie.

Jozua voelt de handen van Mozes op z’n hoofd. Hij weet het: zo zeker als hij die handen voelt, zo zeker mag het deel van Mozes’ aanzien, dat hij nodig heeft, op hem overgedragen worden, wordt hij bevestigd voor z’n taak, mag hij de Geest van God bij zich weten. Zo kan hij het volk leiden. Jozua, weet zich bevestigd en gezegend, als een volgende schakel in Gods ketting.
En wij? Weten wij ons ook zo’n schakel zijn in Gods ketting? Ingeschakeld in Gods grote plan, in zijn bemoeienis met deze wereld, met de mensen om ons heen? Als je soms denkt: ik?! Wat stel ik dan voor? Denk dan nog eens terug aan het moment dat jij geknield ook de handen opgelegd kreeg: bij je huwelijk, bij je belijdenis, bij de bevestiging in het ambt. Zo zeker als je die handen voelde, zo zeker is je roeping, is Gods nabijheid, is zijn zegen, ben jij ingeschakeld.
Totdat die ketting klaar is, of jij als schakel zelf het moet loslaten. Dan wacht het nieuwe Jeruzalem. Daar is de ketting van God voltooid. Johannes mocht daar op Patmos iets van zien. De ketting blijkt daar één en al edelmetaal en edelsteen te zijn: ‘De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van edelsteen. (…) De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort was een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. (…) De stad heeft het licht van de zon en de maan niet meer nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht’ (Openbaring 21:11a, 23). Zalig ben je, als je ingeschakeld bent, en blíjft, in de ketting daarnaartoe!

Ds. Kees van den Berg