Meditatie  


Uit Protestants Kerknieuws van 25 mei 2018
Joyce Schoon, Diaconaal Consulente

Geen vreemdeling meer

Maryam
Een jonge Syrische vrouw. Ze is gevlucht voor de oorlog in haar moederland en woont nu in Gouda. Laten we haar Maryam noemen, Mirjam in het Arabisch. Maryam woont in Syrië met haar ouders en broertje als de oorlog uitbreekt. Op een dag is er weer een bombardement in de stad. Haar vader en zij snellen naar de plek van het onheil en proberen de gewonden te helpen. Er komen soldaten. Haar vader wordt voor haar ogen neergeschoten. Samen met haar jongere broer vlucht Maryam naar het noorden van het land. In het tumult van de oorlog raakt ze haar broertje onderweg kwijt. Iets wat ze zichzelf niet kan vergeven. In de bergen in het noorden wacht ze op een teken van leven van haar moeder en van haar broertje.

Wachten
Ze wacht maanden en hoopt en bidt dat ze nog leven. Als ze almaar niks hoort, besluit ze zelf het land uit te vluchten. Maryam vlucht via Turkije en vlucht net als vele anderen met één van de gammele bootjes de zee over naar Griekenland. Er is een plekje vrij in een vrachtwagen die naar het Noorden zal rijden. Maryam verkleedt zich als man om zichzelf te beschermen. Dagen lang rijden ze in een afgesloten vrachtwagen zonder eten, zonder toilet. Ergens onderweg houdt de chauffeur het voor gezien en moet ze uitstappen, ze weet niet waar ze is.

Vreemde stad
Ze begint maar wat te lopen en ziet borden met vreemde plaatsnamen. Ze meldt zich bij een politiebureau en vraagt asiel aan. Ze blijkt in Nederland te zijn. Ze komt in het Asielzoekerscentrum in Ter Apel terecht. Daar ontmoet ze een Nederlandse vrouw met wie ze voor het eerst sinds maanden echt contact heeft, die haar verhaal aanhoort. Ze doorloopt alle asielprocedures, ontmoet talloze landgenoten met vergelijkbare ervaringen, ze ontmoet vluchtelingen uit andere landen; Eritrea, Irak, Iran, Afrikaanse landen. Dan krijgt ze een woning toegewezen in Gouda. Maryam kent hier niemand, een vreemde stad, ver weg van alles wat haar vertrouwd was.

Haar naam
Op een dag loopt ze door de stad. Ze voelt zich alleen en leeg, ze praat met God: ‘Hoe moet ik nu verder, wat moet ik hier doen?’. Dan hoort ze ineens haar naam. Iemand roept haar naam. Er is iemand die haar naam kent in deze vreemde stad. Ze stopt en draait zich om. En ze herkent de Nederlandse vrouw die ze eerder ontmoet had in het AZC. De vrouw kent haar naam. Het voelt als een begin van thuis komen. Ze is geen vreemdeling meer.

Ruth
Als ik het verhaal hoor, ben ik geraakt. En ik denk aan het verhaal van Ruth. Haar schoonmoeder Naomi raakt alles kwijt: haar man en haar twee zonen. Naomi gaat terug naar haar geboortedorp Bethlehem en Ruth gaat met haar mee. Ook Ruth is in de rouw, ze heeft haar man verloren. Ze laat alles achter wat haar vertrouwd is en gaat met Naomi mee naar een nieuw land.

Vreemdeling
Ze is vreemdeling in dat nieuwe land. Ze kent de mensen niet, de gebruiken niet, hoe kan ze hier een toekomst opbouwen? Is er wel ruimte voor haar? Krijgt ze een plek? Zullen de mensen haar accepteren? Ze gaat naar het veld om aren te verzamelen die na de oogst blijven liggen. De eigenaar van het land, Boaz, ziet haar staan en vraagt wie ze is. Hij blijkt haar naam en haar verhaal te kennen. Het eindigt met een feest, Boaz en Ruth trouwen en krijgen een kind. Ruth is geen vreemdeling meer.

Erbij horen
Het verhaal van Ruth wordt in de joodse traditie voorgelezen met het Wekenfeest. Ruth wordt als vreemdeling opgenomen in de joodse gemeenschap, ze hoort erbij. Het moment dat de discipelen in vuur en vlam raken en over Jezus gaan vertellen vindt plaats tijdens dit Wekenfeest in Jeruzalem. Er zijn dan veel mensen in de stad, ze komen overal vandaan, van ver buiten de grenzen van het land. Met Pinksteren begrijpen de discipelen dat het verhaal van Jezus in alle talen verteld mag worden. Het is niet voorbehouden aan één volk of aan een selecte kring van mensen. Iedereen mag erbij horen.

Dit erbij horen begint als iemand je bij de naam noemt en geïnteresseerd is in jouw verhaal.

Maryam
Het is in de tuin van het graf dat Maria ronddoolt, ze is de kluts kwijt, ze voelt zich vervreemd. Ze kijkt door een waas van tranen, ze is op zoek naar Jezus en ze herkent hem niet als Hij haar vraagt waarom ze huilt. Dan noemt hij haar naam; Maria, Mirjam, Maryam. Het is door het noemen van haar naam dat haar hart opengaat, dat ze zich gekend weet en dat ze Jezus herkent. Ze is geen vreemdeling meer.