Meditatie  


Uit Protestants Kerknieuws van 6 juli 2018
Ds. Udo Doedens, predikant van wijkgemeente Westerkerk

Afslanken

 

Ik sper mijn mond open en hijg,want ik verlang naar Uw geboden. (…) Laat mijn voetstappen vaststaan in Uw woord,laat geen enkel onrecht over mij heersen. (Psalm 119: 131 en 133)

Psalm 119 is een afslankkuur. Zoals een boef twee maanden op water en brood wordt gezet, krijgt de lezer van Psalm 119 176 verzen woord en Geest. Of boeven opknappen van de gevangenis blijft een vraag, maar de schrijver van de Psalm weet zeker dat zijn kuur helpt. ‘Uw rechtvaardige getuigenissen zijn voor eeuwig; geef mij inzicht, dan zal ik leven.’ (144)

Iceman

 De schrijver van Psalm 119 is een soort Iceman. Zoals de Iceman zich toelegt op een bepaalde manier van ademhalen, waardoor hij in barre omstandigheden kan overleven, zo concentreert de psalmist zich op het ‘liefhebben van Gods bevelen’. Maar waar de Iceman vervolgens op alle TV-zenders verschijnt om als Bekende Nederlander met adviezen te strooien, blijft de psalmdichter een anonymus. ‘Ik ben klein en veracht’ (141), ‘een knecht’ (140), ‘een verloren schaap’ (176). In het citaat bovenaan vergelijkt hij zichzelf met een vogeltje. Het is namelijk niet zijn techniek, zijn geloof, zijn talent die hem redden, het zijn ‘alle woorden die van Gods mond uitgaan’.

Je zou zeggen dat die woorden eenvoudig zijn na te slaan in de Bijbel, maar voor de psalmschrijver is dat niet voldoende. God moet zijn woorden spreken. Hij moet ze kracht bijzetten met zijn Geest, met daden en ervaringen. Steeds moet de psalmist worden opgericht en bij zinnen komen. Hij ziet wel waar hij zijn moet, maar hij is er nog niet meteen.

 Enkeling

Bij Psalm 119 hoort een leven van gebed, meditatie en persoonlijke vroomheid. De mens in de Psalm is een enkeling voor God. Hij verlangt alleen dat hij dagelijks van God zijn aandeel in het leven krijgt. Dat hij er kan zijn om God gedag te zeggen. Dat hem alle verwarring en hoogmoed worden vergeven. Dat hij een poot heeft om op te staan. Dat is zijn enige zorg. Daarna kan hij verder, maar het hoe en wat daarvan zijn onbelangrijk.

Vergelijk dat met ons leven nu. Daarin telt niet de enkele mens, maar de maatschappij. Hoe meer instemming of schrik je in de maatschappij weet te verwekken, des te belangrijker je bent. Enkelingen zijn er ook nog, maar zij zijn het schrikbeeld van de samenleving: losse, betekenisloze wezens, die onvoldoende in beeld zijn. Bijna iedereen voelt zich diep in zijn hart zo’n enkeling, maar je bent gek als je het daarbij laat zitten. Daarom leven de meeste mensen als parasieten op de maatschappelijke aandacht. Ze zijn het publiek bij de talkshows, de stemmers bij de verkiezingen, de twitteraars op internet. Ze imiteren beroemdheid en invloed. Ook zij doen aan kunst, ook zij hebben een mening over de politiek, ook zij gaan crosscountry wandelen in Bhutan in de hoop een klein beetje legendarisch te worden, desnoods alleen op hun eigen blog.

In Psalm 119 wordt de tegenpool van de psalmschrijver gevormd door de ‘hovaardigen’. Dat zijn diegenen die Gods woord niet erkennen, maar hun lot hebben verbonden aan hun maatschappelijke succes. Zij onderdrukken de enkeling die God zoekt. Zij verklaren hem voor gek en verspreiden de gedachte dat je niet met God en zijn geboden bezig moet zijn, maar met het hier en nu, de politieke realiteit, je kansen op genot en impact. Het portret van deze hovaardigen is niet aantrekkelijk – ‘Hun hart is zo ongevoelig als vet’ (70) – maar helaas herkenbaar. Gelukkig werkt de Psalm zo, dat je al lezend, door de lengte en de monotonie van het lied als het ware afslankt en indroogt tot je met de dichter in vers 176 eindigt als een schaapje voor Gods aangezicht.

Onderwijl mijmer je: ‘Met mijn grote lijf en mijn pan vol hersenen maak ik mij grote zorgen. Maar ook oppervlakkige zorgen: dat ik niet aan mijn trekken kom, dat ik mijn tijd verdoe, dat mijn werk niets voorstelt, dat mijn kinderen opgroeien voor galg en rad, dat ik misschien beter af ben met een nieuwe partner in een nieuw leven, dat er zo eindeloos veel te doen is en dat alles toch één weg gaat en zo voort. Maar eigenlijk is dat ijdel gepraat. Mijn omvang bedriegt me. Mijn bereik gaat met me op de loop. Eigenlijk ben ik een grasspriet. Ik mag blij zijn met wat water en brood, met wat tijd van leven, met wat woorden die me dat leren en al het andere (de luxe, maar ook de betekenisvolle daden) komt daarna. Laat ik dus mijn ware formaat erkennen. In geestelijk opzicht sta ik dichter bij een vogeltje dan bij een vorst. Zo’n vogeltje, dat red ik wel, maar een leven als een tekortschietende en –komende vorst, dat is dodelijk.’

‘Heer, ik sper mijn mond open en hijg, want ik verlang naar Uw geboden. (…) Laat mijn voetstappen vaststaan in Uw woord, laat geen enkel onrecht over mij heersen.’