Meditatie

Uit Protestants Kerknieuws 17 juni 2022

Indrukwekkende engel en eetbaar boekje

Lezen: Openbaring 10
Afbeelding: deel van Gravure van Albrecht Dürer – Engel uit Openbaring 10

Indrukwekkend zijn de 14 houtsneden, die Albrecht Dürer bij het boek Openbaring maakte. Ze zijn zo gedetailleerd, zo beweeglijk en ook zo vol emotie.
Neem degene die Dürer vervaardigde bij Openbaring 10. Links zien we de engel staan. Het is niet zomaar een engel. Van zijn hoofd komen stralen als van de zon. En daaromheen is een boog te zien: de regenboog. Hij is omhuld door een wolk, en zijn benen zijn zuilen die uitlopen in vlammen. Zijn rechterarm is omhooggeheven. Met die hand maakt hij een zwerend gebaar. Met zijn linkerhand geeft hij een opengeslagen boek aan Johannes, die rechtsonder te zien is. Johannes is al begonnen met eten, gehoorzaam aan die vreemde opdracht die de engel hem gaf. Achter Johannes’ rug ligt een ander boek op de grond, met schrijfgerei ernaast. Dat is het boek Openbaring, dat bezig is te ontstaan. Johannes is geknield. Dat lees je niet in Openbaring 10, maar je kunt het je wel voorstellen.

Hij wordt een ‘sterke engel’ genoemd. Ja, de beschrijving van deze engel doet sterk aan Christus denken, zoals deze in Openbaring 1 aan Johannes verschijnt. De wolk waarmee hij bekleed is, verwijst naar de wolk die Hem wegnam bij Zijn hemelvaart, teken van Gods aanwezigheid en verborgenheid. De regenboog boven het hoofd staat voor Gods verbond met de aarde, voor Zijn trouw aan Zijn gegeven belofte. Zijn gezicht straalt als de zon. Deze engel lijkt op de Opgestane, op Christus Pantocrator (= Alheerser). Niet voor niets staat zijn ene voet op de zee en de andere op het land, als de HEER van heel de schepping, van hemel en aarde.

De engel heeft zijn hand opgeheven naar de hemel en zweert plechtig bij de Allerhoogste dat er geen tijd meer zal zijn. Aan de tijd kunnen we lijden. De tijd kan donker zijn en onzeker. Maar tegelijk zei Augustinus niet voor niets: ‘De tijden zijn wij.’ Wij mensen maken de tijden donker en duister. Maar de engel zweert, en het is tegelijk een belofte: er zal geen tijd meer zijn. Die duistere tijden gaan voorbij, houden eens op. Dan is ‘het geheimenis van God volbracht’, luidt de plechtige eed verder (vers 7). In het Grieks staat daar het woord ‘mystèrion’. Dat wordt in het Nieuwe Testament eigenlijk altijd gebruikt voor het geheimenis van God in Jezus. Dat mysterie – waar we niet over uitgedacht en over uitverwonderd raken - dat mysterie van God zal eens volbracht zijn.

De engel heeft een boekje in de hand. Het is klein, maar wel geopend. Dat in tegenstelling tot die boekrol eerder in Openbaring (hoofdstuk 5). Die was zevenvoudig verzegeld. Die kon alleen geopend worden door het Lam. Maar dit boekje is open en toegankelijk.

Maar dan zegt de engel iets vreemds: ‘Eet het op!’ Voor de geoefende bijbellezer is het toch niet helemaal vreemd. Het was ooit ook tegen de profeet Ezechiël gezegd (Ezechiël 3:1-3). En deze had gegeten. Nu moet Johannes hetzelfde doen. Het is een krachtig beeld voor hoe het Evangelie bedoeld is: dat tot je nemen, zodat het echt deel van jou wordt en het je voedt.

Dan merkt Johannes dat het zoet is als honing. Jeremia zegt: ‘Zodra Uw woorden gevonden werden, at ik ze op. Uw woord was mij tot vreugde en tot blijdschap in mijn hart.’ (Jeremia 15:16).
Op de houtsnede van Dürer is weinig vreugde te zien op het gezicht van Johannes, als hij z’n tanden in dat boekje zet. Ook de engel zelf kijkt ernstig. Dat heeft alles te maken met de keerzijde van het eten. Want het boekje mag dan zoet als honing smaken. Als het in de maag belandt, wordt het bitter, is het zwaar op de maag.

Past dit eigenlijk ook niet helemaal bij het boek Openbaring? Aan de ene kant is dat prachtig, vertroostend, haal je je hart eraan op. Maar aan andere kant is het ook heftig, verschrikkelijk en aangrijpend. 
Het Evangelie is een goede en zoete boodschap. Goddank. Maar tegelijk is het ook volstrekt eerlijk. Het legt dingen in je leven bloot, die je weggestopt had: je verborgen agenda, je heimelijke begeerten, je stille verdriet en je diepste angsten. Of het houdt je de spiegel voor wat er scheef zit: je hoogmoed, je egocentrisme, je hardheid. En dan kun je schrikken. Dan valt het je zwaar op de maag en maakt het je bitterverdrietig. Ook wanneer je de gebrokenheid in deze wereld ziet en ervaart. Ook bij de navolging van Christus – geen naam is er zoeter voor ’t hart – wordt er zelfverloochening en kruisdragen gevraagd. Bitterzoet dus, maar toch zalig!

Ds. kees van den Berg