Meditatie

Uit Protestants Kerknieuws 27 november 2020

‘De nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver’

Afbeelding: Ds. M.C. Batenburg

Enkele gedachten bij een adventslied van Jochen Klepper 

De nacht is haast ten einde,
de morgen niet meer ver.
Bezing nu met verblijden
de heldre morgenster.
Wie schreide in het duister
begroet zijn klare schijn,
als hij met al zijn luister
straalt over angst en pijn. 

Dit lied van Jochen Klepper (1903-1942) staat vol verwijzingen naar bijbelse teksten en thema’s. Licht en duisternis. Dag en nacht. De morgenster die straalt. God die als kind naar de wereld komt. Oordeel en genade. Verborgenheid en openbaring. Woorden die direct ook duidelijk maken: hier staat veel op het spel. 

Jochen Klepper werd geboren als zoon van een dominee en een kunstenares. Hij gaat ook zelf theologie studeren, maar na drie jaar breekt hij de studie af als hij in een zware geestelijke crisis terechtkomt. Hij wordt journalist en tekstschrijver. In de zomer van 1929 ontmoet hij de 13 jaar oudere Johanna Gerstel-Stein. Ze is weduwe en heeft twee kinderen (9 en 11): Brigitte en Renate. Johanna is Joods en dat levert al snel problemen op. Allereerst in de familie van Klepper – zijn vader is fel anti-Joods. Maar het heeft ook maatschappelijke gevolgen. Een jaar nadat ze getrouwd zijn, wordt Klepper bijvoorbeeld ontslagen bij de radio in Berlijn, omdat hij een Joodse vrouw heeft. 
Het is nog maar het begin. Het leven van Jochen en Hanni Klepper, samen met hun twee kinderen, wordt gestempeld door alles wat in de jaren dertig in Duitsland gebeurt. Telkens worden nieuwe racistische wetten geformuleerd, waardoor de Kleppers steeds verder in het nauw komen. 
We weten veel van hoe Klepper dit alles heeft beleefd, door het dagboek dat hij bijhoudt. Op 18 december 1937, de dag voor de vierde adventszondag  schrijft Klepper in zijn dagboek dat hij dit lied heeft gedicht. “Ik schreef vanmiddag een tweede kerstlied: de nacht is haast ten einde.” In de meeste liedbundels is het onder de adventsliederen terecht gekomen. Je ziet het allebei terug. Motieven van verlangen, uitzien naar de komst van de Messias. Maar ook de beschrijving van het kerstgebeuren. 

Zo is ons God verschenen
in onze lange nacht.
Hij die de englen dienen,
die eeuwen is verwacht,
is als een kind gekomen
en heeft der wereld schuld
nu zelf op zich genomen
en draagt ze met geduld. 

Opnieuw het beeld van de nacht. God is verschenen in onze lange nacht. In het kind in de kribbe, is God zelf afgedaald in deze wereld. Gekomen in de nacht van nood en dood.
Intussen wordt de situatie steeds ernstiger. De oorlog is in volle hevigheid begonnen. in zijn dagboek op 1 januari 1942 schrijft Klepper: 
“Mijn hart beeft als ik denk aan het nieuwe jaar. Het is alsof wij een uitgestrekt gebied aan somberheid betreden, waarnaar we zijn uitgewezen.” En enkele maanden later: “Het wordt steeds donkerder om ons heen.” 

Hoevele zwarte nachten
van bitterheid en pijn
en smartelijk verwachten
ons deel nog zullen zijn
op deze donkre aarde,
toch staat in stille pracht
de ster van Gods genade
aan 't einde van de nacht. 

Deze woorden van hoop, van houvast, blijven overeind. Je leest in het dagboek soms ook een bijbeltekst die bemoedigt. Of een ander woord waarin geloof doorklinkt. Op 5 november 1942: “Het is een tijd van zuchten en dragen, en met steeds meer schroom kijken we op naar God.”
Kort daarvoor zijn Hanni en Jochen een paar weken in Zuid-Duitsland. In een antiekwinkel ontdekken ze twee gebeeldhouwde Christusfiguren. Een zegenende Christus en een opgestane Christus. Ze besluiten het beeld van de zegenende Christus te kopen en mee te nemen naar huis.
Op 10 december 1942 schrijft Klepper zijn laatste woorden in zijn dagboek.
Hanni en Jochen zien geen andere uitweg meer dan zichzelf het leven te benemen. Alle vluchtwegen zijn afgesloten. Het is nog een kwestie van tijd of Hanni en Renate (Brigitte vertrok al eerder naar het buitenland) zullen worden gedeporteerd naar een kamp. 
“’s Middags de bespreking bij de Sichterheitsdienst. Wij sterven nu – ach, ook dat hebben we bij God neergelegd. We gaan vannacht samen de dood in. boven ons staat in de laatste uren het beeld van de zegenende Christus, die voor ons strijdt. In diens aanblik eindigt ons leven.”
De volgende morgen werden Jochen en Hanni, met hun dochter Renate dood gevonden. 

God lijkt wel diep verborgen
in onze duisternis,
maar schenkt ons toch een morgen
die vol van luister is.
Hij komt ons toch te stade
ook in het strengst gericht.
Zijn oordeel is genade,
zijn duisternis is licht. 

In allerlei crisissituaties kan de vraag opkomen waar God is. In je eigen leven, of juist op het wereldtoneel. Weet Hij ervan, is Hij erbij? Of laat Hij ons over aan onszelf? God lijkt verborgen, ver weg.
Maar Advent zegt: de nieuwe dag komt! Er komt een einde aan de nacht. De nacht van nood en dood, van zonde en terreur, van verslaving en uitbuiting. 
God lijkt verborgen, maar het is anders. Door Jezus is Hij aan het kruis de diepste duisternis binnengegaan. En door zijn opstanding weten we zijn zegenende handen boven ons leven. De morgen is niet meer ver. Want Christus is gekomen en Hij zál komen – om alle dingen nieuw te maken.

Ds. M.C. Batenburg